De damproblematiek in Limburg (deel 1)

[11-10-2006] Dit artikel werd in februari 1997 opgenomen in De Problemist, het orgaan van de Kring voor Damproblematiek. Het was eigenlijk bestemd voor een jubileumgids van de PLDB, die nooit is verschenen (zie ook het naschrift). Het artikel wordt ongewijzigd overgenomen, maar is duidelijk in het verleden gesitueerd. (LdR)

Wanneer we een artikel schrijven over de damproblematiek in Limburg, dan dienen we één naam met gouden letters af te drukken, die van Jan Scheijen. Zijn damcarrière begon in 1936, het jaar van de oprichting van de Limburgse Dambond.
Jan Scheijen kwam op 18-jarige leeftijd door een vriend in aanraking met het damspel. Die kennismaking had grote invloed op zijn verdere levensloop.
Velen van ons hebben Jan Scheijen, die op 26 december 1985 overleed, nog persoonlijk gekend. Omdat hij de belangrijkste persoon is, die in dit artikel wordt genoemd, zal ik enige woorden aan hem wijden, waarbij ik tevens zal proberen om de mythevorming die rond hem is ontstaan tot de juiste proporties terug te brengen.
Waarom is Jan Scheijen jarenlang de belangrijkste man van de damproblematiek geweest? Kwam dat door het hoge peil van zijn problemen of door de grote hoeveelheid producten die hij heeft nagelaten? Dergelijke feiten worden wel beweerd, maar zijn niet geheel waar. Jan was een goede en bekwame problemist, maar hij miste de verfijning en de accuratesse die nodig zijn om iemand tot een echte topper te maken. Naar mijn mening heeft hij nimmer tot de top tien van Nederland behoord. Hij maakte wel ontzettend veel problemen. Na zijn overlijden kwam ik in het bezit van zijn probleemschriften: 92 in totaal. Ze verschilden in dikte en omvang, maar in elk schrift werden gemiddeld 400 problemen gestempeld. Men vertelde dat Scheijen 30 tot 40.000 problemen en tienduizenden motieven had gemaakt. Hij hielp zelf, bewust of onbewust, mee aan de mythevorming rond zijn persoon. De woorden die Trijntje Fop (pseudoniem voor Kees Stip) ooit dichtte, leken ook van toepassing op Jan Scheijen:

“maar ’t feit waardoor hij voort zal leven,
is, dat hij achteraf nog even
de massa die hem huldigde
met vijf vermenigvuldigde”. 


Op het moment dat ik deze woorden schrijf (mei 1996) ben ik bijna gereed met de afronding van het oeuvre van Scheijen. Binnenkort komt het 27e en laatste deeltje met problemen uit. De boekjes 1 t/m 4 bevatten elk 150 problemen, 5 t/m 27 gemiddeld 200. Het totaal komt daarmee op 5200 problemen. Het aantal motieven (waarvan nooit helemaal met zekerheid kan worden vastgesteld of ze origineel zijn of niet) ligt in de buurt van de 3300. Een omvangrijk oeuvre, dat is zeker. De verzameling is inmiddels uitvoerig gecontroleerd op technische tekortkomingen. Veel problemen zijn bewust door mij uit de collectie gelaten omdat ze smakeloos waren. Jan Scheijen ging uitermate nonchalant met zijn problemen om, reden waarom prachtige composities omringd werden door talrijke niemendalletjes.
Bovenstaande opmerkingen lijken wellicht niet te stroken met de bijzondere vriendschapsrelatie die Jan en ik onderhielden, maar het is van belang dat de waarheid geen geweld wordt aangedaan. Dan is het ook gemakkelijker om de negatieve verhalen rond Scheijen te ontzenuwen. Enkele jaren voor zijn dood werd er door enkele lieden uit de probleemwereld, onder aanvoering van G.W.Zonneveld een hetze tegen Scheijen gevoerd, kennelijk met de bedoeling hem in diskrediet te brengen. De originaliteit van zijn motieven werd in twijfel getrokken, terwijl de technische tekortkomingen (motieven faalden soms; helaas, en bij Scheijen, met zijn grote onnauwkeurigheid vaker dan bij anderen) geweldig werden uitvergroot en hij zelfs van plagiaat beschuldigd werd. 
Nu ik zijn gehele oeuvre heb doorgewerkt, blijkt er geen enkele grond van verdenking te zijn. Integendeel: als Jan de auteur van een motief wist, werd dat door hem altijd vermeld, ook wanneer een motief dat hij zelf gevonden had reeds op naam van een ander bleek te staan.
Dat Scheijen de spil van de Nederlandse damproblematiek kon worden genoemd, is te danken aan de tomeloze energie waarmee hij de hele damwereld tegemoet trad. Hij onderhield contacten met tientallen dammers in binnen- en buitenland. Van 1948 tot eind 1964 was hij probleemredacteur van De Problemist. Hij probeerde iedereen voor de problematiek te interesseren. Beginners werden door hem met zachte hand in de goede richting geleid. Hij verbeterde hun schuchtere pogingen, hij gaf opbouwende (zij het soms overdreven) kritiek, hij gaf anderen zelfvertrouwen. Zijn samenwerkingsproducten met anderen zijn talrijk; bijna alle dammers die bij hem over de vloer kwamen, hebben pogingen ondernomen om iets te maken, al dan niet met hulp van de maestro.
Hij probeerde iedere liefhebber lid te maken van de Kring voor Damproblematiek. Dankzij zijn inspanningen groeide de Kring naar een ledenbestand van bijna 400, waaronder zich opvallend veel Limburgers bevonden. Op oude ledenlijsten vond ik namen die velen misschien weinig meer zeggen: P.Ackens- Bleijerheide, W.Hugens- Steijl, B.Kramer- Maastricht, J.Luijten- Maastricht, G.Nordhausen- Valkenburg, L.Plazier- Maastricht, A.Somers- Kerkrade, J.Vrolijk- Maastricht, J.Moulen- Voerendaal en ook bekendere namen als Jo Habets- Spekholzerheide, de problemist G.J.Ritzen uit Heerlen (later Eijgelshoven) en Piet Kuijpers- eerst Spekholzerheide, later Geleen.
 
Jan Scheijen beschouwde Bernard Kramer uit Maastricht als zijn leermeester. Kramer had een prachtige stijl van componeeren (zoals wij het “maken” van problemen wel eens deftig noemen). Hij had oog voor schitterende finesses. Indrukwekkend vind ik nog steeds zijn motief dat op het eerste diagram staat. (In een motief is zwart aan zet, maar wit wint, ondanks het beste tegenspel, LdR)
Zwart heeft niet beter dan (31-37) en nu wint wit niet door 2-19 of 2-24, maar door het onverwachte 36-31. Op (37-41) volgt 2-13, 13x47 en op (37-42) 2-11, 11x47!
 
1. J.H.H.Scheijen
2. H.H.Balter
3. G.Nordhausen
Het lijkt mij weinig zinvol om alle “gelegenheidsproblemisten” uit Limburg op te sommen. Daarmee bedoel ik hen die slechts incidenteel, en dan nog veelal in bijzijn van Jan Scheijen een probleempje maakten. In de jaargangen van De Problemist van 1949 e.v. komen we een aantal namen herhaaldelijk tegen. Nordhausen en Moulen (“limonadefabriek Kunrade- Voerendaal”, vermeld Jan S. ergens) behoren daarbij. H.H.Balter uit Schaesberg komen we slechts één keer tegen: in 1945 omgekomen in concentratiekamp Kröditz. Uit piëteit nemen we van hem probleem 2 op, dat ooit geplaatst werd in de Humorist.

Oplossingen: (sorry, Limburgse dammers: in verkorte notatie: we moeten groot worden)

1 29, 34, 3, 7, 20 (43) 38, 17, 38
2 16, 7, 3, 17 (6A) 40, 44
3 24, 14, 3, 27, 27